Wanneer ik Word open, is er meteen de vraag wat ik wil schrijven. Een sollicitatiehandleiding voor een marketingbedrijf? Een artikel over effectief vrijwilligerswerk misschien? Of een weblog over een trip door het Yellowstone Park dan?
Nee, verdorie! Ik wil gewoon in alle rust een column schrijven voor Volzin! En als ik geërgerd dit protest intik, reageert Word met een artikel dat als volgt begint: In een tijd waarin het leven als een snelstromende rivier langsraast, verlangt de geest soms naar een plek waar alleen het tikken van een toetsenbord de horizon doorbreekt. Het is mijn eerste ervaring met een eigen opdracht voor AI en ik zit toch wat onthutst naar het resultaat te kijken. Het artikel is geschreven in een stijl die me een ongemakkelijk gevoel geeft en ik probeer dat ongemak te duiden. De zinnen lopen goed en er worden prima metaforen gebruikt, maar er klopt iets niet. En dan heb ik het niet alleen over het tenenkrommende tikken van een toetsenbord dat de horizon doorbreekt.
Er komen beelden in me op van een militaire parade van Kim Yong-un: te strak, te uniform, te geforceerd blij. Alles zoals het hoort en onder controle. En net zoals individuen in de mal van onnatuurlijke houdingen en bewegingen worden geperst, drilt AI ideeën en gedachten tot gezwollen zinnen in uniforme mooischrijverij. Onder bevel van Big Brother die zichzelf misleidend als co-pilot opdringt. Maar voorlopig riekt het allemaal nog naar een auteur die zich vertilt aan de gekozen vorm. AI-adepten gaan ervan uit dat het slechts om schoonheidsfoutjes gaat die na verloop van tijd niet meer gemaakt zullen worden. Dat zal wel waar zijn, maar ik kijk niet uit naar perfect geproduceerde teksten onder de knoet van een fascistisch aandoend schoonheidsideaal.
Een bevriende muziekdocent vertelde me dat hij er steeds meer moeite voor moet doen om zijn leerlingen nog aan het zingen te krijgen. Ze lijden onder datzelfde opgedrongen schoonheidsideaal. Alles moet perfect zijn en kun je niet aan die norm voldoen, dan laat je je éigen gezicht niet zien en laat je je éigen geluid niet horen.
En toch… Waarom gaan velen zo graag naar een liveoptreden waarbij de artiesten nooit de perfectie zullen bereiken van gemanipuleerde opnames? Dat heeft natuurlijk(!) alles te maken met beléving. Met iets dat hier en nu daadwerkelijk gebeurt en waar je deel van uitmaakt. Iets dat stroomt, beweegt, raakt, vervoert, troost, optilt, stimuleert, inspireert en nog veel meer. Iets dat lééft en daarmee de pijn van onvolmaaktheid en dood in zich draagt, en het verlangen naar wat goed en eeuwig is. En dat daarom nooit uniform kan zijn, maar altijd toch net weer anders in een oneindige variatie. Heraclitus wist het al met zijn Panta Rei: Je kunt niet twee keer dezelfde sonate spelen. Want alleen wat ingeblikt en dood is laat zich herhalen, na-doen, na-maken.
Kunstmatige intelligentie is in wezen “na-maak”, zoals in “kunststof”. Wie het resultaat opdient als een eigen schepping, verkoopt zijn publiek stenen voor brood en zijn ziel aan de duivel.
Onlangs las ik De schoone voleinding (1932) van Antoon Coolen, een roman over allesbehalve volmaakte, maar waarachtig lévende mensen. Een citaat uit dit juweel van vertelkunst kan AI-tekstfabrikanten een spiegel voorhouden: “Waar is de tevredenheid, vroeg Doruske Timmer. Waar is de goedheid, waar is de schoonheid van den arbeid? Doruske Timmer is een aardig eind oud geworden, maar hij klopt en timmert nog en zoowaar, hij kan God bidden, den arbeid van zijn oude handen te willen zegenen, diejen arbeid die eerlijk is.”
Ziet u? Dat is taal die leeft en waarin een oprecht hart klopt van een mens die weet dat inspiratie niet gekocht kan worden, maar opwelt uit een oneindig diepe bron die alleen met eerbied en huiver benaderd kan worden.
(Deze column is eerder gepubliceerd in Volzin)
Beeld: Vecteezy