“Nog nooit heb ik werkelijk ervaren dat God er is, en dat doet me steeds meer verdriet,” vertrouwde een oude man me toe. Trouwe kerkganger, levenslang gelovige, bidder, zóeker. Maar nog altijd geen vinder.
“Houd mij in leven, wees Gij mijn redding,
Steeds weer zoeken mijn ogen naar U.”
Huub Oosterhuis (1933-2023).
Ik heb dit lied vaak meegezongen. De melodie en de woorden verklanken een verlangen dat zich bij iedere herhaling verdiept.
Maar ik ervaar ook iets anders. Hoe dichterlijk wáár ook, mijn ogen die steeds weer naar U zoeken, voeren me juist weg bij het Goddelijk Geheim van mijn leven. Ze bevestigen het aloude idee dat God een soort van vriendelijke, grijze eminentie is, die zich in hogere sferen ophoudt en zich niet of slechts aan enkele uitverkorenen laat zien. Een geliefde persoon die hevig gemist wordt, maar op wiens doen en laten je geen vat hebt. En dus blijf je verlangen naar die intense ervaring, dat goddelijke moment van aangeraakt, gezien, aanvaard en geliefd worden.
Zoals een vermoeide hinde naar het klare water smacht.
Het idee dat God érgens is - nu eens hier, dan weer daar, maar altijd verborgen, verstopt, aan het oog onttrokken - maakt haar tot een in zichzelf begrensd wezen. Tot een object, een voorwerp, waarnaar je in het donker met je zaklamp van verlangen op zoek bent, steeds en steeds weer, misschien wel levenslang. Maar pijnlijk vruchteloos.
God is geen eindpunt van ons verlangen, maar de bron, de oorsprong. En om haar te “zien” zou je niet de lichtbundel van je zaklamp moeten volgen, maar in het licht zelf moeten kijken. En nee, dat gaat niet. Maar dat hoeft ook niet, want je weet zo ook wel dat je lamp het dóet. Dat kun je met je eigen ogen zien. Die Bron van licht en verlangen welt in ieder mensenkind. Ze fluistert van liefde en vriendschap, van een wereld waarin recht wordt gedaan. Ze nodigt je steeds weer uit in die beweging van liefde mee te bewegen, mee te dansen als het even kan. Maar ze schreeuwt niet. Ze fluistert. Heel zacht.
Het verlangen naar de nabijheid van God is als verlangen naar de nabijheid van het leven. Wij zijn leven dat in ons en door ons een eigen, unieke vorm aanneemt. Zo zijn we in het Goddelijk Geheim en is het Goddelijk Geheim in ons, ieder ogenblik.
Beeld: Pixabay