Vragen aan Poetin

Vragen aan Poetin

En kijk, ik zit meteen met een probleem. Want hoe zal ik u aanspreken? “Geachte” is gebruikelijk, maar zou onwaarachtig zijn – het lukt me niet om achting voor u te voelen, ik zeg het u maar eerlijk. Ik heb even gedacht aan “Geminachte”, maar dat is het ook niet. Het is niet zozeer minachting wat ik voor u voel, al is er wel afschuw. Termen als “meelijwekkend”, “triest” en “hopeloos verdwaald” komen eerder bij me op als ik aan u denk, maar zijn niet geschikt om mee te beginnen nu ik een aantal vragen aan u wil voorleggen. Ik houd het dus maar op uw achternaam.

Ik besef natuurlijk dat het totaal niet relevant is hoe ik u aanspreek, aangezien de kans dat u dit ooit zult lezen, te verwaarlozen klein is. Voor mij is het echter relevant om mijn positie ten opzichte van u te verhelderen: in hoeverre verschillen u en ik wezenlijk van elkaar? En als dat verschil aantoonbaar zou zijn, is het er dan vanaf ons prille begin geweest, of is het gaandeweg onze levens ontstaan? En zo ja, welke factoren hebben daar een rol in gespeeld?  

U hebt mijn vragen overigens helemaal niet nodig. Want het kan niet anders of de vragen die ik u ga stellen leven ook in uw eigen ziel maar het kan natuurlijk zijn dat u nooit geleerd heeft ernaar te luisteren. Misschien heeft u ze wel min of meer ongemerkt - of willens en wetens - genegeerd omdat ze u hinderden bij het uitvoeren van de taken die u belangrijk achtte. Dat is echter een levensgevaarlijke strategie die niet alleen gruwelijke gevolgen heeft voor degenen die u bestrijdt. U berokkent ook uzelf daar grote schade mee. Als u vertrouwd zou zijn met uw ziel, zou u weten dat u een ander geen pijn kunt doen zonder ook uzelf te verwonden, dat u niet kunt doden zonder uzelf van waarachtig leven te beroven. Het kan dan ook niet anders of u bent een diep beschadigde, meer dood dan levende mens. Ik voel ontzetting als ik naar u kijk, maar ook – het mag pathetisch klinken – diep verdriet over zoveel verdwaasde mislukking. En over de wanhoop die zich misschien, ergens aan de boorden van uw bewustzijn, al aan het aandienen is, maar zeker hard zal toeslaan in het uur van uw dood, als u die onder ogen zal moeten zien. Niemand hoeft u de hel toe te wensen. U heeft uw eigen hel geschapen, ook al weet u dat misschien nog niet.

Begrijpt u mij alstublieft goed. Ik wil me geen moreel oordeel over u aanmatigen, me als mens niet boven u verheven voelen. Ik weet niet hoe het mij vergaan zou zijn als ik onder uw naam en in uw omstandigheden geboren en getogen was. En ik weet wél hoe gemakkelijk het is me als mens te verliezen in goede bedoelingen en m’n Grote Gelijk, m’n ziel aan de duivel te verkopen in m’n zucht de wereld te winnen. Ik weet dus ook hoe belangrijk het is steeds weer de vraag naar onze menselijkheid te stellen.

Daarom zou ik willen weten hoe u als kind was en waar u van droomde, waar u blij van werd. Of u ook tekeningen maakte en welke kleuren u dan gebruikte. Knutselde u? Hield u van muziek? Zong u graag? Had u vriendjes? Speelde u graag met anderen of was u liever alleen? Was u een gewenst kind? Wist u zich aanvaard, geliefd?

En nu u een oude man geworden bent, waar wordt u nu nog blij van? Wat raakt u? Wat ontroert u? Niet als president, maar als méns. Is er muziek die u in vervoering brengt? Kan de roep van een vogel een gevoelige snaar bij u raken? Een zin of passage van een van de grote schrijvers van uw land?  Leeft het kind dat u ooit was nog in u? Verstaat u het nog?

Ik hoop dat u kleinkinderen heeft en dat u de vreugde kent van met zo’n dreumes op schoot te zitten en het voor te lezen terwijl het zich aan u toevertrouwt. Ik hoop dat u het geluk kent van een veilig gezin met mensen die van elkaar houden en zich zorgen maken als het welzijn van kind, broer, zus, ouder, kleinkind, grootouder in het geding is.

Ik wil van u weten of u kunt leven met de verantwoordelijkheid voor zoveel uiteengerukte gezinnen, voor zoveel dode kinderen, zoveel dode broers, zoveel dode zussen, zoveel dode ouders, zoveel dode grootouders. Voor zoveel opgejaagde, verminkte en verwoeste levens.

Ik wil weten of u zich wel eens probeert voor te stellen wat het voor u zou betekenen als u zelf met uw dierbaren de verschrikkingen van uw raketaanvallen moest doorstaan en uw verwoeste flat en uw omgekomen geliefden moest achterlaten voor een onzekere toekomst. Of u wel eens gedacht hebt aan uw oude moeder in een niet meer te verwarmen huisje in de bittere winterkou, in een afgelegen, kapotgeschoten en bijna geheel verlaten dorp.

Ik wil weten of u zich de verschrikkingen van het slagveld wel eens probeert voor te stellen en wat het voor u zou betekenen als een van uw kinderen daar zou creperen, eenzaam, langzaam en zonder zicht op hulp.

Ik wil weten of u zich wel eens afvraagt hoe u zich nu zou voelen als u het anders had gedaan. Als mens. Maar ook als president.

Wat als u uw buurland niet aangevallen had, maar het de hand had toegestoken voor samenwerking?

Wat als u geen kapitalen gestoken had in bewapening, maar in de kwaliteit van leven van uw burgers?

Wat als u uw opponenten niet had laten opsluiten of vermoorden, maar ze had uitgenodigd voor een open dialoog om samen te bekijken wat goed en nodig is?

Wat als u straatarme en machteloze jongens, ook uit andere landen, niet een zinloze dood had ingejaagd, maar hun gezinnen zicht gegeven had op een menswaardig bestaan?  

Wat als u de wereld had laten weten dat u het indrukwekkende potentieel van uw land niet zult inzetten voor zoveel mogelijk nationale macht, voor sabotage en intimidatie, maar voor zoveel mogelijk welzijn voor de héle wereld? Voor zorg, onderwijs, innovatie, duurzaamheid, kunst en cultuur?

Wat als u niet in de eerste plaats president geweest was, uit op macht? Wat als u in de eerste plaats méns geweest was, uit op zinvol leven, menselijkheid en vriendschap?

 

(Beeld: Vecteezy)

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.