Zoek God niet - ze is er al...

Juist het zoeken beneemt het zicht op wat bijna rakelings nabij is.

 

“De pastoor stond voor de klas

en zei dat God onzichtbaar was.

Ik heb dat toen klakkeloos aangenomen

tot ik Hem in de appelbomen

duidelijk heb gezien.

De pastoor heeft zich toch vergist misschien.”

Toon Hermans (1916-2000)

 

Het zoeken naar God is mij aangeleerd. Als ik genoeg zou geloven, genoeg zou bidden, het nederig genoeg zou vragen, dan bestond er een kans dat ik iets van God zou zien, iets van God zou merken. Maar gaandeweg heb ik het idee gekregen dat juist die nadruk op het zoeken naar God haar verborgen houdt. En ik herken me in de vis die naar het klare water smacht, maar niet beseft dat het water in en om hem is.

 

A.M. de Jongs Flierefluiter opende me ooit de ogen door met eerbied te beweren dat hij God vlak in de ogen keek. En als de vagebond met Merijntje Gijzen op een fraaie zomeravond in het veld is, speelt zich het volgende af:

‘Zie je nou eindelijk Onze Lieve Heer, Merijntje?’ kwam de stem van Flierefluiter, met die stille, uit een diepe wel van geheimzinnige vreugde stijgende stem, die als een herinnering uit verre, verre tijden aan Merijntjes verrukte hart klopte. Hij antwoordde niet, een weinig verschrikt toch en niet begrijpend, waarop Flierefluiter kon doelen. Dan ging de stem voort, met een onderdrukte lach, die spot kon zijn, maar ook onbedwingbare tederheid:

‘Want als je ‘m nou in deze avond niet ziet, jongen, zul je ‘m verdommes wijd moeten gaan zoeken.’ (…) ‘Er gaan tijden voorbij dat je enkel maar stof en as bent… Dat er niks is dan eten en drinken… vrijen en lachen… allemaal vlees en bloed. Maar dan, onverwachts, is er ineens iets anders…’

Zijn stem klonk dromerig, als van veraf, er trilde een verrukking in, die Merijntje stil maakte, nog dieper in verbazing bracht. Gespannen wachtte hij op het vervolg, maar Flierefluiter bleef zwijgen.

‘Nou?’ vroeg de jongen na een wijle ongeduldig, ‘Wat dan? Wat is er dan ineens..?’

‘Dan is God er.’

Opnieuw voelde Merijntje een huivering over zijn rug varen. Een oude, bijna vergeten angst joeg hem op tot de neiging hard weg te lopen van deze verboden taal. Maar hij bedwong zich, vroeg bijna streng:

‘Hoe dan..? Waar dan..?’

‘Hoe dan..? Waar dan..?’ herhaalde Flierefluiter glimlachend en met dezelfde verdroomde, blijde stem. ‘Dat is zomaar niet met woorden uit te drukken, Merijntje. Dat kun je alleen maar voelen… dan ben je jezelf niet meer… je hebt geen gewicht… je bent lucht geworden, een vogel, een bloem, een veld… je bent er altijd geweest, en je zult er altijd zijn… en heel de wereld is maar een kluit, die je in je hand kunt nemen… Dat kan over je komen als je in ’t gras naar de sterren ligt te kijken… of als je in een vrouw haar armen ligt… of als je het brood ruikt dat een bakker net uit de oven gehaald heeft… of als je een mooie stem hoort zingen… of als een kindergezicht je aankijkt… als je de zon ziet blinken in een druppel dauw… of soms ook als je een glas wijn voor je ziet staan… of als je een boerenzoon met één klap tegen de vlakte slaat… Je kunt het niet weten. In de kerk noemen ze dat genade, maar die is anders dan ze daar denken…’

 

Dit en meer vind je in Mijmeringen van een godzoeker             van A.M. de Jong (1888-1943):