Vervreemdend verlangen naar God

Gepubliceerd op 6 april 2026 om 17:07

Juist het zoeken kan het vinden in de weg staan.

 

“Houd mij in leven, wees Gij mijn redding,

steeds weer zoeken mijn ogen naar U.”

 

Deze tekst van Huub Oosterhuis heb ik al vaak meegezongen en ik kan het verlangen naar God er nog altijd in mee voelen klinken. Maar er is wel iets verschoven. Ik voel heimwee naar iets dat ik niet meer kan meemaken. Naar een God die als een sterke vader, een grote broer, alles ten goede zal keren.

 

Het zoeken naar God is mij aangeleerd. Als ik genoeg zou geloven, genoeg zou bidden, het nederig genoeg zou vragen, dan bestond er een kans dat ik iets van God zou zien, iets van God zou merken. Maar gaandeweg heb ik het idee gekregen dat juist die nadruk op het zoeken naar God haar verborgen houdt. Dat als mijn ogen steeds weer naar God zoeken, ze daarmee aan haar voorbij zien. Als een vis die naar het klare water smacht, maar niet beseft dat het water in en om hem is.

 

A.M. de Jongs Flierefluiter opende me ooit de ogen door met eerbied te beweren dat hij God vlak in de ogen keek. En als de vagebond met Merijntje Gijzen op een fraaie zomeravond in het veld is, speelt zich het volgende af:

 

Naast hem hoorde hij Flierefluiter zacht bewegen in het ritselende gras, en hoe hij diep zuchtte.

Glimlachend vroeg hij: ‘Zucht jij daar zo, Flierefluiter?’ Hij wendde het hoofd op zij, zag de schimmige omtrek van de gestalte, die zich half op de ellebogen had opgericht.

‘Ja.’

‘Waarom?’

‘Omdat ik jou niet ben,’ antwoordde Flierefluiter met een zachte, diepe lach.

Verholen lachte Merijntje mee. Het antwoord verbaasde hem geen seconde. Hij kon het zich maar al te goed voorstel-len, dat Flierefluiter in zijn plaats wou zijn, al zou hij zijn vriend niet vertellen waarom.

‘Zie je nou eindelijk Onze Lieve Heer, Merijntje?’ kwam de stem van Flierefluiter, met die stille, uit een diepe wel van geheimzinnige vreugde stijgende stem, die als een herinne-ring uit verre, verre tijden aan Merijntjes verrukte hart klopte. Hij antwoordde niet, een weinig verschrikt toch en niet begrijpend, waarop Flierefluiter kon doelen. Dan ging de stem voort, met een onderdrukte lach, die spot kon zijn, maar ook onbedwingbare tederheid:

‘Want als je ‘m nou in deze avond niet ziet, jongen, zul je ‘m verdommes wijd moeten gaan zoeken.’

Onrustig wendde de jongen zich meer naar hem toe, zocht het gelaat van de vriend, zag enkel een bleke schijn, waarin hij geen uitdrukking onderscheiden kon. Stil, met aarzelende stem vroeg hij dan: ‘Waarom nou net vanavond, Flierefluiter?’

‘Dat weet je wel, Merijntje. Je zit er immers middenin, voel je dat dan niet? Ik was daarnet bang dat ik erin onder zou gaan en dat je me niet meer zou vinden als je me zocht. Dat ik zo maar weg zou drijven, de lucht in, of in niets zou vergaan. Daarom zuchtte ik zo maar eens.’

Er liep een huivering over Merijntjes rug. Wat die Fliere-fluiter soms een vreemde dingen zei. Je wist niet precies, wat hij ermee bedoelde. Het was moeilijk uit te maken of hij met mensen en dingen de spot dreef, dan wel letterlijk meende wat hij zei.

Merijntje was allang niet meer het argeloze, nimmer twijfe-lende godsaanbiddertje uit zijn dorpse jaren, maar luchtig gepraat rond het geheimzinnige wezen van Onze Lieve Heer verontrustte hem nog altijd.

‘Je moet daar niet om lachen, Flierefluiter,’ zei hij onzeker, en met iets als een smeking in zijn stem.

Maar nu lachte Flierefluiter juist, heel stil, en met een diepe, heldere klank. Toen zei hij: ‘Ja, ja, dat spreekt voor zich. Jij denkt dat Onze Lieve Heer nergens anders zijn kan dan in Marjannekes ogen. Maar dat is abuis, man. Je zit er helemaal naast.’

‘Ach jij!’ mokte Merijntje, onaangenaam getroffen door de gewaarwording dat Flierefluiter tóch doorzien had wat er in hem omging en wat hij voor iedereen verborgen had willen houden.

‘Nou, dat is toch niet zo verwonderlijk?’ ging Flierefluiter voort, ‘Iedereen maakt een God van waar hij het meest van houdt. Of van waar hij het bangst voor is.’

‘Een afgod, bedoel je!’ snauwde Merijntje na een ogenblik peinzen.

‘Net zoals je het noemen wilt. Veel verschil is er niet.’

‘Niet veel verschil tussen God en een afgod?’

‘Welnee, op het geloof komt het immers aan, jongen. En op de macht.’

Een lichte treurigheid dreef door Merijntjes denken. Er wankelden dingen die hij onverwrikbaar gewaand en gaarne gehouden had. Met licht bevende stem zei hij dof: ‘Je bent gek, jij!’

‘Dat kan kloppen,’ grinnikte Flierefluiter. ’Maar zo gek als jij toch niet, Merijntje. Die tijd heb ik gehad, jammer genoeg...!’

Er klonk een zo innige spijt in die laatste woorden, dat Merijntjes hart warm werd van medelijden. Ineens besefte hij, dat daar naast hem een oude, vermoeide man lag, die het leven achter zich had. Het leven, dat betekende: Marjanneke en haar geurende krullen, haar gladde, ronde schouder dicht tegen de zijne, haar warme, blank-bruine nek en de welving van haar achterhoofd onder zijn liefkozende hand, haar kussen, die smaakten naar de geur van rijp koren en klaprozen, de duizelingwekkende vervoering, die geen zonde meer was, enkel een bijna ondragelijke verrukking, die je ophief boven de aarde, weg van alles wat zwaar was en knelde... Het leven dat in deze wonderbare zomer voor Merijntje was opengegaan tot een nooit gedroomde heerlijkheid... en dat Flierefluiter achter zich had, waarvan hij “jammer genoeg” zei, met zo’n vreemde, bitter spottende stem... Merijntje strekte zijn jonge, sterke lijf langs de helling, voelde met wonderlijke wellust de harde bobbels van de droge aarde aan zijn spieren, zijn handen balden zich tot vuisten in het gevoel van een onoverwinnelijke kracht... Een oude man... dat moest vreselijk zijn...

‘Maar God blijft, Merijntje. Die weet van geen tijd en grijze haren, wat de mensen ook allemaal verzinnen.’ Uit Flierefluiters stem was alle verdrietigheid, alle spijt verdwenen.

 

Beeld: Pixabay

Dit en meer vind je in Mijmeringen van een godzoeker van A.M. de Jong.